Wat er is gewijzigd in de ‘nieuwe’ noodstop norm NEN-EN-ISO 13850:2015

28/10/16

De norm NEN-EN-ISO 13850 uit 2008 welke de ontwerpbeginselen van een noodstop beschrijft, is in november vorig jaar vervangen en is sinds mei 2016 ook geharmoniseerd onder de Machinerichtlijn 2006/42/EG. In de nieuwe norm zijn vooral een aantal onderwerpen verduidelijkt of geconcretiseerd. Dit artikel beschrijft de belangrijkste onderwerpen welke in de nieuwe norm toegevoegd zijn.

‘Span of control’

In principe moet het zo zijn dat het bedienen van een noodstoptoestel tot gevolg heeft dat de complete machine of een samengestelde machine (zoals bijvoorbeeld een productielijn) ‘ge-noodstopt’ wordt. Onder bepaalde omstandigheden biedt de norm nu mogelijkheden om het bereik van een noodstop te beperken tot secties van een machine of slechts enkele machines in een complete productielijn. In de norm wordt dit aangeduid als ‘span of control’. Hierbij is het ook mogelijk dat verschillende ‘spans of control’ elkaar kunnen overlappen. Hieronder is een voorbeeld gegeven van een productielijn waarvan de activering van een willekeurig noodstoptoestel van de machine tot gevolg heeft dat een noodstopfunctie voor de complete productielijn geactiveerd wordt (‘single span of control’).

Single Span of Control
 
Wanneer het stoppen van bijvoorbeeld een complete productielijn als gevolg van het activeren van de noodstopfunctie nieuwe risico’s introduceert of een onnodige negatieve invloed heeft op de productie, kan onder bepaalde voorwaarden de productielijn of machine opgedeeld worden in secties waarbij een noodstoptoestel in een bepaalde sectie bij activering slechts die sectie stopt in plaats van de complete productielijn. In die situatie wordt er gesproken van ‘multiple spans of control’ waarvan hieronder een voorbeeld is gegeven.

Multiple Span of Control
 
Voorwaarden

Het opdelen in verschillende secties is alleen toegestaan wanneer aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

  • de secties waarin een machine met betrekking tot het bereik van een noodstop wordt ingedeeld (‘span of control’), moeten duidelijk gedefinieerd worden en identificeerbaar zijn;
  • noodstoptoestellen moeten gemakkelijk geassocieerd kunnen worden met het gevaar dat een noodstop vereist;
  • de ‘span of control’ (of bereik) van een noodstoptoestel moet vanaf de bedienpositie van elk noodstoptoestel duidelijk en ondubbelzinnig zijn.

Het wordt afgeraden om het bereik van een noodstoptoestel met behulp van tekstuele aanwijzingen aan te duiden. Het moet in één oogopslag duidelijk zijn welke sectie gestopt wordt bij het bedienen van een noodstoptoestel. Wanneer het bereik niet onmiddellijk duidelijk is aan de hand van de locatie van het noodstoptoestel, wordt geadviseerd om het bereik door middel van pictogrammen te verduidelijken. Het pictogram moet nabij het noodstoptoestel aangebracht worden en het pictogram zelf moet duidelijk aangeven over welke secties het gaat. Om verwarring te voorkomen moet geprobeerd worden om noodstoptoestellen met een verschillend bereik niet te dicht bij elkaar in de buurt te plaatsen.

Markeringen

Een praktische methode om de verschillende noodstopsecties af te bakenen is gebruik te maken van (kleur)markeringen waarbij eventueel rekening gehouden moet worden met het feit dat mensen kleurenblind kunnen zijn. Naast de kleur kan het dan zinvol zijn om de markeringen ook onderscheidend te maken door een ander patroon. In het schematische voorbeeld van ‘mutiple spans of control’ is met behulp van arcering aangeduid op welke secties een noodstoptoestel betrekking heeft. In dit voorbeeld zijn drie noodstoptoestellen aanwezig waarbij de middelste noodstop alle secties stopt en de buitenste noodstoptoestellen enkel de buitenste secties. Uiteraard mag een geactiveerde noodstop in een bepaalde sectie het activeren van een noodstop in een andere sectie niet onmogelijk maken en mag de opdeling in secties nooit risico verhogend zijn.

STO / SS1

Vanuit de nieuwe norm wordt, net zoals uit de voorgaande norm, verwezen naar de norm
EN-IEC 60204-1 voor de definitie van de stopcategorieën. Voor een noodstop zijn enkel de stopcategorieën 0 en 1 toegestaan waarbij stopcategorie 0 inhoudt dat de bewegingen gestopt worden door de energie naar de actuatoren af te schakelen en stopcategorie 1 eerst op een gecontroleerde wijze de bewegingen tot stilstand brengt om vervolgens alsnog de energie naar de betreffende actuatoren uit te schakelen. In de nieuwe norm worden nu een aantal voorbeelden genoemd behorende bij deze stopcategorieën. Opvallend is hierbij dat de ‘Safe Torque Off’ en de ‘Safe Stop1’ functies nu expliciet zijn benoemd behorende bij respectievelijk stopcategorie 0 en stopcategorie 1 (mits deze functies in overeenstemming zijn met de norm IEC 61800-5-2). 

Noodstopnorm
Additionele noodstoptoestellen

Er wordt gesteld dat het niet essentieel is om een fysieke isolatie te bewerkstelligen om de energie naar de betreffende actuatoren af te schakelen. In bepaalde gevallen is het toegestaan om het vermogen dat noodzakelijk is om koppel of kracht op te bouwen te verwijderen zonder een fysieke isolatie te bewerkstelligen. Voorbeelden hiervan zijn ontkoppeling (mechanisch) en STO/SS1 (elektrisch).

Locaties

Zoals ook in de vorige versie van de norm het geval was, moeten noodstoptoestellen geplaatst worden op alle bedienposities van de machine (tenzij uit de risicobeoordeling blijkt dat dit niets toevoegt). Daarnaast kan het afhankelijk van de risico’s noodzakelijk zijn om ook andere locaties dan de bedienpositie te voorzien van een noodstoptoestel. Wanneer een machine is uitgerust met een draadloos bedienstation of een bedienstation wat inactief gemaakt of losgekoppeld kan worden van de machine, is additioneel minimaal één vast met de machine verbonden noodstoptoestel vereist. Aanvullend moet dan minimaal één van de hieronder genoemde maatregelen worden genomen om verwarring tussen actieve en niet-actieve noodstoptoestellen te voorkomen:

  • kleurverandering van een actief noodstoptoestel door verlichting;
  • automatische (zelf bediende) bedekking / afscherming van een inactief noodstoptoestel of wanneer dit niet mogelijk is een handbediende met de noodstop verbonden afscherming waarmee een niet actief noodstoptoestel afgedekt kan worden;
  • een inherent in de machine aangebrachte opberglocatie voor niet actieve mobiele bedienstations met noodstoptoestel.
Uiteraard moet in de gebruiksaanwijzing van de machine aangegeven worden welke maatregelen genomen zijn om verwarring bij het gebruik van noodstoptoestellen te voorkomen.

In de nieuwe norm worden een aantal voorbeelden van locaties genoemd die in de risicobeoordeling beschouwd zouden kunnen worden om te bepalen of daar een noodstop noodzakelijk is:

  • bij in- en uitgangen van de machine;
  • op locaties waar interventie aan de machine of het productieproces vereist is (bijvoorbeeld bediening met hold-to-run functie); 
  • alle locaties waar interactie tussen mens en de machine is te verwachten (bijvoorbeeld product in- en uitvoer).

Ook worden er eisen gesteld aan de hoogte waarop een noodstoptoestel geplaats moet worden ten opzichte van de vloer of bordes. Noodstop voetpedalen dienen op hetzelfde niveau als de vloer gepositioneerd te worden. Alle overige (vast aangebrachte) noodstoptoestellen dienen op een hoogte tussen de 0,6m en 1,7m bevestigd te zijn. Hoogte noodstopHierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat een noodstop die zich op een hoogte van 1,7m van de vloer bevindt, binnen een kleiner horizontaal gebied te bereiken is dan een noodstop die op een hoogte van bijvoorbeeld 1m is geplaatst.

Daarnaast moet bij de plaatsing van noodstoptoestellen voorkomen worden dat een noodstoptoestel geblokkeerd of onbereikbaar kan worden als gevolg van de werking van de machine of als bewuste actie van een gebruiker.

Sleutel

Om verwondingen aan de hand te voorkomen, moet het gebruik van noodstoptoestellen die met een sleutel ontgrendelbaar zijn worden vermeden. Als het niet mogelijk is om een type noodstoptoestel te kiezen zonder sleutel, moet een duidelijke waarschuwing aangebracht worden dat de sleutel niet in het noodstoptoestel aanwezig mag blijven. Ook in de gebruiksaanwijzing moet aangegeven worden dat de sleutel alleen bedoeld is om te kunnen resetten en dat deze na het resetten uit het noodstoptoestel verwijderd dient te worden.

Minimaal PLc / SIL1Noodstop

Waar de vorige norm de titel ‘Veiligheid van machines - Noodstop- Ontwerpbeginselen’ had, is de titel van de nieuwe norm veranderd in ‘Veiligheid van machines - Noodstopfunctie- Ontwerpbeginselen’. Deze subtiele aanpassing van de titel is het gevolg van een aantal eisen die betrekking hebben op de noodstopfunctie als geheel in plaats van alleen op de noodstoptoestellen. Eén van de eisen welke betrekking hebben op de veiligheidsfunctie ‘noodstop’ is dat deze in overeenstemming met de Performance Level norm (ISO 13849-1) of SIL-norm (IEC 62061) gerealiseerd moet worden. Bij de bepaling van het vereiste PL of SIL niveau van de noodstopfunctie moet het doel van de noodstopfunctie in de machine in beschouwing genomen worden. Met andere woorden, de risicobeoordeling is hier leidend in. De noodstopfunctie moet minimaal PLc of SIL 1 gerealiseerd worden.

Kraag

Toepassen kraag om noodstopknop ter voorkoming van onbedoeld bedienen
Noodstoptoestellen moeten zo zijn ontworpen en geplaatst onbedoeld bedienen ervan te vermijden. Voor zover het ontwerp van de machine het toelaat moet dit bereikt worden door het kiezen van geschikte locaties of andere maatregelen zoals:

  • noodstoptoestellen niet in de buurt van plaatsen waar de kans groot is dat ze per ongeluk bediend worden; 
  • het type noodstoptoestel afstemmen op de locatie waarbij rekening wordt gehouden met onbedoeld kunnen activeren;
  • keuze van grootte en afmetingen van een noodstoptoestel;
  • het noodstoptoestel iets verzonken in het bedienpaneel aanbrengen.

Wanneer het noodzakelijk is dat er maatregelen getroffen worden tegen onbedoeld bedienen van een noodstoptoestel en bovenstaande maatregelen zijn praktisch niet uitvoerbaar, is het toegestaan om onder een aantal voorwaarden een ‘beschermend omhulsel’ / kraag toe te passen. Deze kraag mag geen scherpe randen of ruwe oppervlakken hebben die kunnen leiden tot letsel bij het bedienen van een noodstoptoestel. Een kraag moet zo geconstrueerd zijn dat bediening met de palm van de hand mogelijk blijft vanuit elke voorzienbare positie van de gebruiker van de machine. 

Eventuele maatregelen ter voorkoming van onbedoeld bedienen van een noodstoptoestel mogen nooit het risico creëren dat het noodstoptoestel niet bedienbaar is, of afbreuk doen aan de zichtbaarheid en identificatie van een noodstoptoestel.

Gebruik van mobiele (draadloze) bedieningsstations

Wanneer gebruik gemaakt wordt van mobiele / draagbare (eventueel draadloze) bedieningsstations, moeten deze zijn uitgerust met een noodstoptoestel omdat dit gezien moet worden als een bedienplek. Het in- of uitpluggen van een mobiel bedienstation en de eventuele reactie daarop van de machine zal moeten worden beschouwd in de risicobeoordeling. Wanneer een noodstoptoestel van een draadloos bedienstation bediend is, mag het niet mogelijk zijn de noodstopfunctie te resetten door bijvoorbeeld de spanning van de machine (of draadloos bedienstation) tijdelijk te onderbreken. De noodstopfunctie mag alleen gereset kunnen worden door / na het resetten van het bediende noodstoptoestel van het draadloze bedienstation. Wanneer de ‘span of control’ van een draadloos noodstoptoestel niet volledig waarneembaar is, moeten aanvullend op de mogelijkheid om het noodstoptoestel zelf te resetten extra resetknoppen rondom de machine aangebracht worden om de gebruiker te dwingen om vast te stellen dat de machine veilig is en de noodstop gereset kan worden.

Dit artikel is geschreven door Dennis van Loon, Consultant Business Unit Machine Safety bij D&F Consulting en tevens gepubliceerd in de vakbladen Aandrijven & Besturen en Constructeur. Download hier de publicatie: 

  

D&F is uw expert voor SIL en PL  

Wij bieden u oplossingen specifiek voor uw bedrijf zoals: het uitvoeren van een risicobeoordeling van  machines, samenstellen van machines, installaties en processen, bepalen van de veiligheidsfuncties met betrekking tot het ontwerp van de veiligheidsbesturing, zoals; tweehanden bediening, hold-to-run, lichtschermen, functiekeuzeschakelaars, functieblokkering met vergrendeling, stoptijden enz. en opstellen van de safety requirements specification tot het uitvoeren van de classificatie van de SIL target en PL required.

Trainingen over SIL en PL

D&F geeft zeer praktijkgerichte trainingen over elektrische installaties van machines en veiligheidsbesturingen, SIL en PL, compleet met praktische tips om zelfstandig te werken met Sistema. De trainingen variëren van 1 dag Basistraining Performance Level of Werken met SIL tot een complete 6-daagse masterclass SIL & PL, functionele veiligheid voor machines.

Infosheet Functionele Veiligheid (gratis)

D&F heeft als doelstelling om koploper te zijn in onze vakgebieden. Door onze KneX!-teams (kennisteams) is een infosheet opgesteld met als onderwerp Functionele Veiligheid in de machinebouw volgens het V-model. Deze infosheet schept duidelijkheid in de projectaanpak en vervangt de pocketboekjes SIL en PL. U kunt de infosheet (na registratie) gratis bij ons opvragen en krijgt deze vervolgens binnen enkele werkdagen toegestuurd per post.

Neem contact met mij op

versturen

Of bel ons direct op

076 5040 340